DEEL III: BELEID EN WERKING VAN DE UNIE

TITEL III: INTERN BELEID EN OPTREDEN

HOOFDSTUK I: INTERNE MARKT

AFDELING 2: VRIJ VERKEER VAN PERSONEN EN DIENSTEN

Onderafdeling 2: Vrijheid van vestiging
ARTIKEL III-138

1. Bij Europese kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om tot de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te komen. De kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal ComitÚ.

2. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, door met name:
a) in het algemeen bij voorrang de werkzaamheden te behandelen, ten aanzien waarvan de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer;

b) te bewerkstelligen dat de bevoegde nationale overheden nauw samenwerken, teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen;

c) bestuursrechtelijke procedures en praktijken af te schaffen welke uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden voortvloeien en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging;

d) erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaam zijn, op dat grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij pas op het tijdstip waarop zij die bezigheid willen opnemen, in die staat zouden aankomen;

e) de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de in artikel III-227, lid 2, bedoelde beginselen niet worden aangetast;

f) de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in behandeling genomen sector toe te passen, enerzijds op de voorwaarden voor de oprichting op het grondgebied van een lidstaat, van agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen, en anderzijds op de voorwaarden voor de toelating van het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen;
g) voorzover nodig, de waarborgen te co÷rdineren welke in de lidstaten worden verlangd van vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea, om de belangen van vennoten en van derden te beschermen, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken;

h) ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.