17. PROTOCOL BETREFFENDE HET IN HET KADER VAN DE EUROPESE UNIE GEŌNTEGREERDE SCHENGENACQUIS

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

ERAAN HERINNEREND dat de bepalingen van het Schengenacquis, bestaande uit de door sommige lidstaten van de Europese Unie op 14 juni 1985 en 19 juni 1990 te Schengen ondertekende overeenkomsten inzake de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, alsmede uit de daarmee samenhangende overeenkomsten en de op grond daarvan vastgestelde voorschriften, is opgenomen in het kader van de Europese Unie, door middel van een aan het verdrag betreffende de Europese Unie en het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehecht protocol;

GELEID DOOR DE WENS het Schengenacquis, zoals dat sedert de inwerkingtreding van voornoemd protocol is ontwikkeld, in het kader van de Grondwet te behouden en te ontwikkelen teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstelling aan de burgers van de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen te bieden;

REKENING HOUDEND MET de bijzondere positie van Denemarken;

IN AANMERKING NEMEND dat Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland niet aan alle bepalingen van het Schengenacquis deelnemen; dat deze lidstaten evenwel de mogelijkheid moet worden geboden andere bepalingen van dit acquis geheel of gedeeltelijk te aanvaarden;

ERKENNEND dat het bijgevolg noodzakelijk is gebruik te maken van de bepalingen van de Grondwet die betrekking hebben op nauwere samenwerking tussen sommige lidstaten;

IN AANMERKING NEMEND dat het noodzakelijk is bevoorrechte betrekkingen in stand te houden met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, die beide gebonden zijn door de bepalingen van de Noordse paspoortunie, tezamen met de Noordse staten die lid zijn van de Europese Unie,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden gehecht:

Artikel 1

Het Koninkrijk BelgiŽ, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek SloveniŽ, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden worden gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan op de gebieden die vallen onder de door de Raad aangegeven bepalingen die samen het Schengenacquis vormen. Deze samenwerking vindt plaats binnen het institutionele en juridische kader van de Unie en met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de Grondwet.

Artikel 2

Het Schengenacquis is met onmiddellijke ingang van toepassing op de in artikel 1 genoemde lidstaten, onverminderd artikel 3 van het protocol betreffende het verdrag en de akte inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek SloveniŽ en de Slowaakse Republiek. De Raad treedt in de plaats van het bij de overeenkomsten van Schengen ingestelde Uitvoerend Comitť.

Artikel 3

De deelneming van Denemarken aan de vaststelling van maatregelen die een verdere ontwikkeling van het Schengenacquis inhouden en de uitvoering en toepassing van deze maatregelen in Denemarken vallen onder de toepasselijke bepalingen van het protocol betreffende de positie van Denemarken.

Artikel 4

Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland kunnen te allen tijde verzoeken om aan alle of aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis deel te mogen nemen.

De Raad stelt een Europees besluit over dit verzoek vast. Hij besluit met eenparigheid van stemmen van de in artikel 1 genoemde leden en van het lid dat de regering van de betrokken staat vertegenwoordigt.

Artikel 5

Voorstellen en initiatieven om voort te bouwen op het Schengenacquis vallen onder de toepasselijke bepalingen van de Grondwet.

Wanneer Ierland of het Verenigd Koninkrijk of beide de voorzitter van de Raad niet binnen een redelijke termijn schriftelijk hebben meegedeeld dat zij wensen deel te nemen, wordt de in artikel III-419, lid 1, van de Grondwet bedoelde machtiging in dit verband geacht te zijn verleend aan de in artikel 1 genoemde lidstaten, en aan Ierland of het Verenigd Koninkrijk indien een van beide aan de samenwerking op de gebieden in kwestie wenst deel te nemen.

Artikel 6

De Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering van het Schengenacquis en de verdere ontwikkeling ervan. Te dien einde worden passende procedures overeengekomen in een overeenkomst die de Raad, met eenparigheid van stemmen van zijn in artikel 1 genoemde leden, met die staten sluit. In die overeenkomst worden bepalingen opgenomen inzake de bijdrage van IJsland en Noorwegen in de kosten die aan de uitvoering van dit protocol zijn verbonden.

De Raad sluit, met eenparigheid van stemmen, met IJsland en Noorwegen een afzonderlijke overeenkomst voor de vaststelling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland enerzijds en IJsland en Noorwegen anderzijds, op de gebieden van het Schengenacquis die op deze staten van toepassing zijn.

Artikel 7

Voor de onderhandelingen met het oog op de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Unie worden het Schengenacquis en de verdere maatregelen die de instellingen binnen de werkingssfeer van dat acquis vaststellen, beschouwd als een acquis dat door alle staten die kandidaat zijn voor toetreding volledig moet worden aanvaard.