8. PROTOCOL BETREFFENDE DE VERDRAGEN EN AKTEN INZAKE DE TOETREDING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIň EN NOORD-IERLAND, DE HELLEENSE REPUBLIEK, HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK, ALSMEDE DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN

DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,

MEMORERENDE dat het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland op 1 januari 1973 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Helleense Republiek op 1 januari 1981 tot de Europese Gemeenschappen is toegetreden; dat het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek op 1 januari 1986 tot de Europese Gemeenschappen zijn toegetreden; dat de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden op 1 januari 1995 tot de Europese Gemeenschappen en tot de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie zijn toegetreden;

OVERWEGENDE dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat de verdragen betreffende de bovengenoemde toetredingen worden ingetrokken;

OVERWEGENDE dat bepaalde bepalingen in deze toetredingsverdragen en in de daarbij gevoegde akten relevant blijven; dat in artikel IV-437, lid 2, van de Grondwet wordt bepaald dat deze bepalingen in een protocol moeten worden opgenomen dan wel vermeld, zodat zij van kracht blijven en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd;

OVERWEGENDE dat die bepalingen met behoud van de juridische strekking technisch moeten worden aangepast, zodat zij overeenkomen met de Grondwet,

HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen, die aan het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie worden gehecht:

TITEL I GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

De rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel IV-437, lid 2, onder a) tot en met d), van de Grondwet genoemde toetredingsverdragen, zijn onder de in deze verdragen gestelde voorwaarden op de volgende data van kracht geworden:

a) 1 januari 1973 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland;

b) 1 januari 1981 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Helleense Republiek;

c) 1 januari 1986 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek;

d) 1 januari 1995 wat betreft het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

Artikel 2

1. De in artikel 1 genoemde toetredende staten verplichten zich ertoe, vůůr hun respectieve toetreding partij te worden bij de volgende overeenkomsten en verdragen, voorzover deze nog van kracht zijn:

a) de tussen de andere lidstaten gesloten overeenkomsten en verdragen die gebaseerd zijn op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en op het Verdrag betreffende de Europese Unie, alsook die welke onlosmakelijk verbonden zijn met de verwezenlijking van de doelstellingen van de genoemde verdragen, of die welke betrekking hebben op de werking van de Gemeenschappen of van de Unie of die verband houden met het optreden van de Gemeenschappen of van de Unie;

b) de door de andere lidstaten met de Europese Gemeenschappen, met een of verscheidene derde staten of met een internationale organisatie gesloten overeenkomsten en verdragen, alsook de overeenkomsten die met deze overeenkomsten en verdragen verband houden. De Unie en de overige lidstaten zijn de in artikel 1 genoemde toetredingsstaten hierbij behulpzaam.

2. De in artikel 1 genoemde toetredingsstaten treffen passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij de Unie of de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of andere lidstaten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding.

Artikel 3

Bepalingen van de akten van toetreding, als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het Gerecht van eerste aanleg, die tot doel of tot gevolg hebben de intrekking of de wijziging, anders dan bij wijze van overgangsmaatregel, van de handelingen die zijn vastgesteld door de instellingen, organen of instanties van de Europese Gemeenschappen of van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie, blijven van kracht, behoudens de tweede alinea.

De in de eerste alinea bedoelde bepalingen hebben hetzelfde rechtskarakter als de handelingen die door deze bepalingen worden ingetrokken of gewijzigd en zij zijn aan dezelfde regels onderworpen.

Artikel 4

De teksten van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Europese Gemeenschappen en van de bij het Verdrag betreffende de Europese Unie ingestelde Europese Unie die vůůr de in artikel 1 genoemde toetredingen zijn vastgesteld en die achtereenvolgens in de Engelse en de Deense, de Griekse, de Spaanse en de Portugese, en de Finse en de Zweedse taal zijn opgesteld, zijn gelijkelijk authentiek vanaf de toetreding van de in artikel 1 genoemde staten, onder dezelfde voorwaarden als de in de overige talen opgestelde en gelijkelijk authentieke teksten.

Artikel 5

De in dit protocol opgenomen overgangsbepalingen kunnen bij Europese wet van de Raad worden ingetrokken indien zij niet meer van toepassing zijn. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

TITEL II BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK DENEMARKEN, IERLAND, EN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIň EN NOORD-IERLAND

AFDELING 1 - Bepalingen betreffende Gibraltar

Artikel 6

1. De handelingen van de instellingen die betrekking hebben op de producten van bijlage I van de Grondwet en op de producten die bij invoer in de Unie aan een bijzondere regeling zijn onderworpen ingevolge de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsmede de handelingen tot harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de omzetbelasting zijn niet van toepassing op Gibraltar, tenzij de Raad bij Europees besluit anders besluit. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie.

2. De status van Gibraltar zoals deze is vastgesteld in bijlage II, punt VI (1) van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Denemarken, Ierland, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland, blijft gehandhaafd.

Noot 1: PB L 73 van 27.3.1972, blz. 47.

AFDELING 2 - Bepalingen betreffende de FaerŲer

Artikel 7

Deense onderdanen die op de FaerŲer woonachtig zijn, worden slechts als onderdanen van een lidstaat krachtens de Grondwet beschouwd vanaf de datum waarop deze op de FaerŲer van toepassing wordt.

AFDELING 3 - Bepalingen betreffende de Kanaaleilanden en het eiland Man

Artikel 8

1. De Unieregeling inzake douaneaangelegenheden en inzake kwantitatieve beperkingen, met name de douanerechten, de heffingen van gelijke werking en het gemeenschappelijk douanetarief, is ten aanzien van de Kanaaleilanden en het eiland Man onder dezelfde voorwaarden van toepassing als die welke voor het Verenigd Koninkrijk gelden.

2. Voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen producten waarvoor een speciale regeling van het handelsverkeer bestaat, gelden ten aanzien van derde landen de in de Unieregeling vastgelegde heffingen en andere invoermaatregelen die door het Verenigd Koninkrijk moeten worden toegepast.

Eveneens van toepassing zijn de bepalingen van de Unieregeling die nodig zijn om het vrije verkeer en de inachtneming van normale concurrentievoorwaarden van de het handel in deze producten mogelijk te maken.

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de voorwaarden vast waaronder de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bepalingen op deze gebieden van toepassing zijn.

Artikel 9

Aan de rechten van onderdanen van de in artikel 8 genoemde gebieden in het Verenigd Koninkrijk wordt geen afbreuk gedaan door het recht van de Unie. De bepalingen van het recht van de Unie betreffende het vrije verkeer van personen en diensten is echter niet op hen van toepassing.

Artikel 10

De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie die voor personen of ondernemingen in de zin van artikel 196 van genoemd verdrag gelden, zijn op deze personen of ondernemingen van toepassing wanneer zij in de in artikel 8 van dit protocol bedoelde gebieden zijn gevestigd.

Artikel 11

De autoriteiten van de in artikel 8 genoemde gebieden behandelen alle natuurlijke of rechtspersonen van de Unie op dezelfde wijze.

Artikel 12

Indien zich bij toepassing van de in deze afdeling neergelegde regeling aan deze of gene zijde moeilijkheden voordoen in de betrekkingen tussen de Unie en de in artikel 8 genoemde gebieden, stelt de Commissie onverwijld aan de Raad de beschermingsmaatregelen voor die zij nodig acht en geeft zij de voorwaarden en de wijze van toepassing aan.

De Raad stelt in voorkomend geval binnen een maand een Europese verordening of een Europees besluit vast.

Artikel 13

In de zin van deze afdeling wordt als onderdaan van de Kanaaleilanden of van het eiland Man beschouwd, iedere Britse burger die deze hoedanigheid bezit op grond van de omstandigheid dat een van zijn ouders of een van zijn grootouders aldaar is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of er in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven; in dit opzicht wordt evenwel iemand niet als onderdaan van deze gebieden beschouwd indien hijzelf, een van zijn ouders of een van zijn grootouders in het Verenigd Koninkrijk is geboren, geadopteerd, genaturaliseerd of daar in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven. Als onderdaan wordt evenmin beschouwd degene die, in welk tijdvak dan ook, gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is geweest.

De Commissie wordt in kennis gesteld van de bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om de identiteit van deze personen vast te stellen.

AFDELING 4 - Bepalingen betreffende de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling in Ierland

Artikel 14

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Ierse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Ierland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van deze politiek worden verwezenlijkt en komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 5 - Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met Denemarken

Artikel 15

1. Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Denemarken, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1973 stelt Denemarken in de in lid 3 genoemde sectoren een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis wordt neergelegd in een document dat wordt overhandigd aan de Commissie, die deze kennis meedeelt aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. Denemarken stelt gegevens ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de volgende sectoren:

a) D.O.R. met zwaarwater gemodereerde en met organische vloeistof gekoelde reactor;

b) DT-350, DK-400 zwaarwaterreactoren met drukvat;

c) hogetemperatuur-gaskringloop;

d) instrumenten en bijzondere elektronische apparatuur;

e) "reliability";

f) reactorfysica, reactordynamica en warmteoverdracht;

g) beproeving van materialen en uitrustingen in de reactor.

4. Denemarken verbindt zich ertoe, ter aanvulling van de verslagen die het zal toezenden, aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie alle inlichtingen te verstrekken, met name bij bezoeken van personeel van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie of van de lidstaten aan het Centrum te RisÝ, en wel onder voorwaarden die per geval in onderling overleg zullen worden vastgesteld.

Artikel 16

1. In de sectoren waarin Denemarken kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciŽle voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap, die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Denemarken dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciŽle voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciŽle grondslag.

AFDELING 6 - Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met Ierland

Artikel 17

1. Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van Ierland, dat deze kennis onder de in dit artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1973 stelt Ierland een gelijkwaardige hoeveelheid in Ierland verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciŽle toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk de studies voor de ontwikkeling van een energiereactor en de werkzaamheden inzake radio-isotopen en de medische toepassing ervan, met inbegrip van de problemen inzake bescherming tegen straling.

Artikel 18

1. In de sectoren waarin Ierland kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciŽle voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt Ierland dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciŽle voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciŽle grondslag.

AFDELING 7 - Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met het Verenigd Koninkrijk

Artikel 19

1. Vanaf 1 januari 1973 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van het Verenigd Koninkrijk, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1973 stelt het Verenigd Koninkrijk een gelijkwaardige hoeveelheid kennis ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in de sectoren waarvan de lijst als bijlage (1) bij protocol nr. 28 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland is weergegeven. Een gedetailleerd overzicht van deze kennis wordt neergelegd in een document dat wordt overhandigd aan de Commissie, die deze kennis meedeelt aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. Gezien de grotere belangstelling van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor bepaalde sectoren, legt het Verenigd Koninkrijk meer in het bijzonder de nadruk op het mededelen van kennis aan de Gemeenschap in de volgende sectoren:

a) onderzoek en ontwikkeling op het gebied van snelle reactoren (met inbegrip van de veiligheid);

b) basisonderzoek (van toepassing op reactorreeksen);

c) veiligheid van andere dan snelle reactoren;

d) metallurgie, staalsoorten, zirconiumlegeringen en betonsoorten;

e) verenigbaarheid van constructiematerialen;

f) experimentele splijtstofvervaardiging;

g) thermohydrodynamica;

h) instrumenten.

Noot 1: PB L 73 van 27.3.1972, blz. 84.

Artikel 20

1. In de sectoren waarin het Verenigd Koninkrijk kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties, op verzoek licenties tegen commerciŽle voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap, die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten van de Gemeenschap verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt het Verenigd Koninkrijk dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciŽle voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciŽle grondslag.

TITEL III BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE HELLEENSE REPUBLIEK

AFDELING 1 - Bepalingen betreffende de toekenning van vrijstelling van invoerrechten voor bepaalde goederen door de Helleense Republiek

Artikel 21

Artikel III-151 van de Grondwet vormt geen beletsel voor de Helleense Republiek om de vrijstellingen te handhaven die vůůr 1 januari 1979 waren toegekend krachtens:

a) wet nr. 4171/61 - Algemene maatregelen ter stimulering van de ontwikkeling van de economie;

b) wetsbesluit nr. 2687/53 - Investering en bescherming van buitenlands kapitaal;

c) wet nr. 289/76 - Stimuleringsmaatregelen voor de ontwikkeling van grensgebieden en daarmede verband houdende vraagstukken, tot het verstrijken van de geldigheidsduur van de overeenkomsten tussen de Griekse regering en degenen die voor deze maatregelen in aanmerking kwamen.

AFDELING 2 - Bepalingen betreffende belastingen

Artikel 22

De in punt II.2 van bijlage VIII (1) bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Helleense Republiek genoemde handelingen zijn ten aanzien van de Helleense Republiek van toepassing op de in genoemde bijlage bepaalde wijze, met uitzondering van de handelingen bedoeld in de punten 9 en 18 b).

Noot 1: PB L 291 van 19.11.1979, blz. 163.

AFDELING 3 - Bepalingen betreffende katoen

Artikel 23

1. Deze afdeling heeft betrekking op niet-gekaarde en niet-gekamde katoen die valt onder post 5201 00 van de gecombineerde nomenclatuur.

2. In de Unie wordt een regeling ingevoerd die met name ten doel heeft:

a) de katoenproductie te ondersteunen in de gebieden van de Unie waar zij van belang is voor de landbouweconomie;

b) de betrokken producenten in staat te stellen een redelijk inkomen te verwerven;

c) de markt te stabiliseren door structuurverbetering inzake het aanbod en het in de handel brengen.

3. De in punt 2 bedoelde regeling omvat de toekenning van productiesteun.

4. Teneinde de katoenproducenten in staat te stellen het aanbod te concentreren en de productie aan de eisen van de markt aan te passen, wordt een regeling ingesteld om de vorming van producentengroeperingen en de verenigingen daarvan te stimuleren.

Deze regeling voorziet in de toekenning van steun om de oprichting van producentengroeperingen te stimuleren en de werking daarvan te vergemakkelijken.

Deze regeling geldt uitsluitend voor groeperingen:

a) die zijn opgericht op initiatief van de producenten zelf;

b) die voldoende garantie bieden inzake de duur en de doelmatigheid van hun optreden;

c) die zijn erkend door de betrokken lidstaat.

5. De regeling voor de handel van de Unie met derde landen wordt niet nadelig beÔnvloed. In dit verband mogen in het bijzonder geen restrictieve maatregelen bij invoer worden genomen.

6. Bij Europese wet van de Raad worden de nodige aanpassingen van de bij deze afdeling ingestelde regeling vastgesteld.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de basisvoorschriften vast die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling.

De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

AFDELING 4 - Bepalingen betreffende de economische en industriŽle ontwikkeling van Griekenland

Artikel 24

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Griekse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een politiek inzake industrialisatie en economische ontwikkeling die ten doel heeft de levensstandaard in Griekenland nader te brengen tot die in de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Te dien einde wenden de instellingen alle middelen en procedures aan waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van haar doelstellingen.

In het bijzonder dient in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 5 - Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met de Helleense Republiek

Artikel 25

1. Vanaf 1 januari 1981 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van de Helleense Republiek, die deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op haar grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1981 stelt de Helleense Republiek in Griekenland verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciŽle toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:

a) studies voor de toepassing van radio-isotopen in de volgende sectoren: geneeskunde, landbouw, entomologie en milieubescherming;

b) toepassing van nucleaire technieken bij de ouderdomsbepaling;

c) ontwikkeling van apparatuur op het gebied van de medische elektronica;

d) ontwikkeling van methoden voor het opsporen van radioactieve ertsen.

Artikel 26

1. In de sectoren waarin de Helleense Republiek kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciŽle voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten van de Gemeenschap verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt de Helleense Republiek dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciŽle voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciŽle grondslag.

TITEL IV BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR HET KONINKRIJK SPANJE EN DE PORTUGESE REPUBLIEK

AFDELING 1 - FinanciŽle bepalingen

Artikel 27

De eigen middelen afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Canarische Eilanden en Ceuta en Melilla binnen de territoriale werkingssfeer vallen van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

AFDELING 2 - Bepalingen betreffende octrooien

Artikel 28

De Spaanse nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van protocol nr. 8 bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vůůr 1 januari 1986 is verleend.

In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan het Koninkrijk Spanje de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past het Koninkrijk Spanje een gerechtelijke procedure van "beschrijvend beslag" toe.

Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieŽn van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.

Artikel 29

De Portugese nationale wetgeving inzake bewijslast, vastgesteld overeenkomstig punt 2 van protocol nr. 19 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, is niet van toepassing indien de rechtsvordering ter zake van inbreuk wordt ingesteld tegen de houder van een ander werkwijze-octrooi voor de vervaardiging van hetzelfde product als het product dat het resultaat is van de werkwijze waarop de eiser een octrooi heeft, indien dit andere octrooi vůůr 1 januari 1986 is verleend.

In de gevallen waarin de omkering van de bewijslast niet van toepassing is, kan de Portugese Republiek de bewijslast voor de inbreuk blijven leggen bij de octrooihouder. In al deze gevallen past de Portugese Republiek een gerechtelijke procedure van "beschrijvend beslag" toe.

Onder beschrijvend beslag wordt in het kader van de eerste en de tweede alinea bedoelde regeling een procedure verstaan volgens welke eenieder die gerechtigd is een rechtsvordering ter zake van inbreuk in te stellen, bij een op zijn verzoek gedane rechterlijke uitspraak, kan verkrijgen dat een deurwaarder, bijgestaan door deskundigen, op de plaats waar de vermoedelijke inbreukmaker is gevestigd, overgaat tot een gedetailleerde beschrijving van de betwiste werkwijzen, met name door het maken van fotokopieŽn van technische documenten, al dan niet met zakelijk beslag. In deze rechterlijke uitspraak kan het betalen van een borgsom worden gelast, die bestemd is om aan de vermoedelijke inbreukmaker schadevergoeding toe te kennen wanneer door het beschrijvend beslag schade is veroorzaakt.

AFDELING 3 - Bepalingen betreffende het mechanisme houdende aanvulling van de tegenprestaties in het kader van door de Unie met derde landen gesloten visserijovereenkomsten

Artikel 30

1. Er wordt een specifieke regeling ingesteld voor het verrichten van activiteiten ter aanvulling van visserijactiviteiten die door vaartuigen onder de vlag van een lidstaat worden verricht in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, in het kader van de bij een visserijovereenkomst tussen de Unie en de betrokken derde landen ingestelde tegenprestaties.

2. De activiteiten die verricht kunnen worden als aanvulling op visserijactiviteiten, onder de voorwaarden en binnen de grenzen bedoeld in de leden 3 en 4, hebben betrekking op:

a) de behandeling op het grondgebied van het betrokken derde land van de vangsten die door schepen onder de vlag van een lidstaat zijn gedaan in de wateren van dit derde land tijdens visserijactiviteiten die voortvloeien uit de uitvoering van een visserijovereenkomst, teneinde deze producten in de Unie in de handel te brengen onder de tariefposten van hoofdstuk 03 van het gemeenschappelijk douanetarief;

b) de aanvoer en de overlading op een vaartuig dat de vlag van een lidstaat voert, in het kader van door een dergelijke overeenkomst voorziene activiteiten, van visserijproducten van hoofdstuk 03 van het gemeenschappelijk douanetarief, met het oog op het vervoer en de eventuele bewerking van deze producten teneinde deze in de Unie in de handel te brengen.

3. Het invoeren in de Unie van producten die het voorwerp zijn geweest van de in lid 2 bedoelde activiteiten, vindt plaats met gedeeltelijke of gehele schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief of onder een bijzondere heffingsregeling, onder de voorwaarden en binnen de aanvullende grenzen die jaarlijks worden vastgesteld volgens de omvang van de vangstmogelijkheden welke voortvloeien uit de betrokken overeenkomsten en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen.

4. Bij Europese wet of kaderwet worden de algemene voorschriften voor de toepassing van deze regeling en inzonderheid de criteria voor de verdeling van de betrokken hoeveelheden vastgesteld.

De wijze van toepassing van deze regeling alsmede de betrokken hoeveelheden worden vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 104/2000.

AFDELING 4 - Bepalingen betreffende Ceuta en Melilla

Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen
Artikel 31

1. De Grondwet en de handelingen van de instellingen zijn van toepassing op Ceuta en Melilla, onder voorbehoud van de in de leden 2 en 3 en in de andere bepalingen van deze afdeling genoemde afwijkingen.

2. De voorwaarden waaronder de bepalingen van de Grondwet betreffende het vrije verkeer van goederen, alsmede de handelingen van de instellingen betreffende de douanewetgeving en de handelspolitiek van toepassing zijn op Ceuta en Melilla, zijn neergelegd in onderafdeling 3 van deze afdeling.

3. Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 32, zijn de besluiten van de instellingen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid niet van toepassing op Ceuta en Melilla.

4. Op verzoek van het Koninkrijk Spanje kan de Raad bij Europese wet of kaderwet:

a) Ceuta en Melilla in het douanegebied van de Unie opnemen;

b) passende maatregelen vaststellen die de bepalingen van het vigerende Unierecht uitbreiden tot Ceuta en Melilla.

Op voorstel van de Commissie, die op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat handelt, kan de Raad bij Europese wet of kaderwet indien nodig aanpassingen van de regeling die voor Ceuta en Melilla geldt, vaststellen.

De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Onderafdeling 2 - Bepalingen betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid
Artikel 32

1. Behoudens lid 2 en onverminderd onderafdeling 3, is het gemeenschappelijk visserijbeleid niet van toepassing op Ceuta en Melilla.

2. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese wet, kaderwet of verordening, dan wel bij Europees besluit:

a) de structurele maatregelen vast die ten gunste van Ceuta en Melilla kunnen worden getroffen;

b) vast op welke wijze de belangen van Ceuta en Melilla geheel of ten dele in aanmerking kunnen worden genomen bij de handelingen die hij, per geval, vaststelt met het oog op de onderhandelingen die de Unie voert omtrent het overnemen of sluiten van visserijovereenkomsten met derde landen, alsmede de specifieke belangen van Ceuta en Melilla in het kader van internationale visserijovereenkomsten waarbij de Unie overeenkomstsluitende partij is.

3. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, bij Europese wet, kaderwet of verordening, dan wel bij Europees besluit, in voorkomend geval, de mogelijkheden en de voorwaarden vast voor de wederzijdse toegang tot de respectieve visserijzones en de visbestanden daarvan. Hij besluit met eenparigheid van stemmen.

4. De in de leden 2 en 3 bedoelde Europese wetten en kaderwetten worden na raadpleging van het Europees Parlement vastgesteld.

Onderafdeling 3 - Bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, de douanewetgeving en de handelspolitiek
Artikel 33

1. De producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla, alsmede de producten van herkomst uit derde landen die op Ceuta of Melilla worden ingevoerd in het kader van de regelingen die aldaar op die producten van toepassing zijn, worden bij het in het vrije verkeer brengen op het douanegebied van de Unie niet beschouwd als goederen die voldoen aan de voorwaarden van artikel III-151, leden 1 tot en met 3, van de Grondwet.

2. Het douanegebied van de Unie omvat niet Ceuta en Melilla.

3. Behoudens andersluidende bepalingen in deze onderafdeling, zijn de handelingen van de instellingen op het gebied van de douanewetgeving voor het handelsverkeer met derde landen onder dezelfde voorwaarden van toepassing op het handelsverkeer tussen het douanegebied van de Unie enerzijds en Ceuta of Melilla anderzijds.

4. Behoudens andersluidende bepalingen in deze onderafdeling, zijn de autonome of conventionele handelingen van de instellingen betreffende de gemeenschappelijke handelspolitiek die rechtstreeks verband houden met de invoer of de uitvoer van goederen, niet van toepassing op Ceuta of Melilla.

5. Behoudens andersluidende bepalingen in deze titel, past de Unie in het handelsverkeer met Ceuta en Melilla in producten die onder bijlage I van de Grondwet vallen, de algemene regeling toe die zij toepast ten aanzien van derde landen.

Artikel 34

Onder voorbehoud van artikel 35 worden de douanerechten bij invoer op het douanegebied van de Unie van producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla afgeschaft.

Artikel 35

1. Voor visserijproducten van de posten 0301, 0302, 0303, , 1604, 1605, 0511 91 en 2301 20 van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit Ceuta of Melilla, geldt op het gehele douanegebied van de Unie een vrijstelling van douanerechten binnen de grenzen van tariefcontingenten die worden berekend per product en op basis van het gemiddelde van de in de jaren 1982, 1983 en 1984 werkelijk afgezette hoeveelheden.

De producten die in het kader van deze tariefcontingenten op het douanegebied van de Unie worden binnengebracht kunnen slechts in het vrije verkeer worden gebracht indien de regels waarin de gemeenschappelijke ordening van de markten voorziet, en met name de referentieprijzen in acht worden genomen.

2. De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, jaarlijks bij Europese verordening of Europees besluit de opening en de verdeling van de contingenten overeenkomstig het bepaalde in lid 1 vast.

Artikel 36

1. Indien de toepassing van artikel 34 zou leiden tot een aanmerkelijke groei van de invoer van bepaalde producten van oorsprong uit Ceuta of Melilla waardoor producenten in de Unie schade kunnen leiden, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, bij Europese verordening of Europees besluit de toegang van deze producten tot het douanegebied van de Unie aan bijzondere voorwaarden onderwerpen.

2. Indien, vanwege het niet toepassen van de gemeenschappelijke handelspolitiek en van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van grondstoffen of gedeeltelijk veredelde producten in Ceuta of Melilla, de invoer van een product van oorsprong uit Ceuta of Melilla ernstig nadeel toebrengt of dreigt toe te brengen aan een productieactiviteit die in een of meer lidstaten wordt uitgeoefend, kan de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, passende maatregelen nemen.

Artikel 37

De douanerechten bij invoer in Ceuta of Melilla van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie, alsmede de heffingen van gelijke werking als deze rechten worden afgeschaft.

Artikel 38

De douanerechten en heffingen van gelijke werking als deze rechten alsmede de regeling voor het handelsverkeer die worden toegepast op de invoer in Ceuta of Melilla van goederen uit een derde land, mogen niet minder gunstig zijn dan die welke de Unie overeenkomstig haar internationale verbintenissen of haar preferentiŽle regelingen toepast jegens dit derde land, onder het voorbehoud dat dit derde land de invoer uit Ceuta en Melilla op dezelfde wijze behandelt als de invoer uit de Unie. De regeling die bij invoer in Ceuta of Melilla wordt toegepast ten aanzien van goederen uit dit derde land, mag evenwel niet gunstiger zijn dan de regeling die wordt toegepast ten aanzien van de invoer van producten van oorsprong uit het douanegebied van de Unie.

Artikel 39

Op voorstel van de Commissie stelt de Raad bij Europese verordening of Europees besluit de voorschriften voor de toepassing van deze onderafdeling vast, met name de oorsprongregels die van toepassing zijn in het handelsverkeer bedoeld in de artikelen 34, 35 en 37, met inbegrip van de bepalingen betreffende de identificatie van de producten van oorsprong en de controle van de oorsprong.

Deze regels bevatten met name bepalingen inzake het merken en/of etiketteren van producten, de voorwaarden voor het registreren van vaartuigen, de toepassing van de regel van cumulatie van oorsprong voor visserijproducten, alsmede bepalingen om de oorsprong van de producten te kunnen vaststellen.

AFDELING 5 - Bepalingen betreffende de regionale ontwikkeling van Spanje

Artikel 40

De lidstaten nemen ervan kennis dat de Spaanse regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake regionale ontwikkeling dat met name ten doel heeft de economische groei in de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje te stimuleren.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Zij komen overeen, teneinde het de Spaanse regering gemakkelijker te maken deze taak te vervullen, tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking van de minst ontwikkelde gebieden en zones van Spanje.

AFDELING 6 - Bepalingen betreffende de economische en industriŽle ontwikkeling van Portugal

Artikel 41

De lidstaten nemen er kennis van dat de Portugese regering een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering van een beleid inzake industrialisatie en economische ontwikkeling dat ten doel heeft de levensstandaard in Portugal nader te brengen tot die van de andere lidstaten en het tekort aan werkgelegenheid op te heffen, en tegelijk de regionale verschillen in ontwikkeling geleidelijk weg te werken.

Zij erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is dat de doelstellingen van dit beleid worden verwezenlijkt.

Zij komen overeen te dien einde tot de instellingen de aanbeveling te richten alle middelen en procedures aan te wenden waarin de Grondwet voorziet, met name door op doeltreffende wijze gebruik te maken van de middelen van de Unie die dienen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.

De lidstaten erkennen in het bijzonder dat in geval van toepassing van de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet, rekening dient te worden gehouden met de doelstellingen van economische expansie en verhoging van de levensstandaard van de bevolking.

AFDELING 7 - Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met het Koninkrijk Spanje

Artikel 42

1. Vanaf 1 januari 1986 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van het Koninkrijk Spanje, dat deze kennis onder de in genoemd artikel bedoelde voorwaarden op beperkte wijze op zijn grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1986 stelt het Koninkrijk Spanje in Spanje verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciŽle toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mede aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:

a) kernfysica (lage en hoge energieŽn);

b) stralingsbescherming;

c) toepassing van isotopen, in het bijzonder van stabiele isotopen;

d) onderzoeksreactoren en daarvoor gebruikte splijtstoffen;

e) onderzoek op het gebied van de splijtstofcyclus (meer in het bijzonder: winning en bewerking van arme uraniumertsen; optimalisering van splijtstofelementen voor energiereactoren).

Artikel 43

1. In de sectoren waarin het Koninkrijk Spanje kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciŽle voorwaarden verleend aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij geen verplichting of verbintenis jegens derden hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt het Koninkrijk Spanje dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciŽle voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciŽle grondslag.

AFDELING 8 - Bepalingen betreffende de uitwisseling van kennis op nucleair gebied met de Portugese Republiek

Artikel 44

1. Vanaf 1 januari 1986 wordt de kennis waarvan overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie mededeling is gedaan aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen, ter beschikking gesteld van de Portugese Republiek, die deze kennis onder de in dit artikel genoemde voorwaarden op beperkte wijze op haar grondgebied verspreidt.

2. Vanaf 1 januari 1986 stelt de Portugese Republiek in Portugal verkregen en beperkt verspreide kennis op nucleair gebied ter beschikking van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, voorzover het geen strikt commerciŽle toepassingen betreft. De Commissie deelt deze kennis mee aan de ondernemingen van de Gemeenschap, onder de in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie genoemde voorwaarden.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde kennis betreft hoofdzakelijk:

a) reactordynamica;

b) stralingsbescherming;

c) toepassing van nucleaire meettechnieken (op industrieel, landbouw-, archeologisch en geologisch gebied);

d) atoomfysica (metingen van werkzame doorsneden, kanalisatietechnieken);

e) winningsmetallurgie van uranium.

Artikel 45

1. In de sectoren waarin de Portugese Republiek kennis ter beschikking stelt van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden door de bevoegde instanties op verzoek licenties tegen commerciŽle voorwaarden verleend aan de lidstaten, en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap die uitsluitende rechten bezitten op in de lidstaten verkregen octrooien, voorzover zij jegens derden geen verplichting of verbintenis hebben om een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie op de rechten op deze octrooien te verlenen of aan te bieden.

2. Indien er een uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licentie is verleend, bevordert en vergemakkelijkt de Portugese Republiek dat de houders van dergelijke licenties tegen commerciŽle voorwaarden sublicenties verlenen aan de lidstaten en aan personen en ondernemingen van de Gemeenschap.

Het verlenen van dergelijke uitsluitende of gedeeltelijk uitsluitende licenties geschiedt op normale commerciŽle grondslag.

TITEL V BEPALINGEN UIT DE AKTE BETREFFENDE DE TOETREDINGSVOORWAARDEN VOOR DE REPUBLIEK OOSTENRIJK, DE REPUBLIEK FINLAND EN HET KONINKRIJK ZWEDEN

AFDELING 1 - FinanciŽle bepalingen

Artikel 46

De eigen ontvangsten afkomstig uit de belasting over de toegevoegde waarde worden berekend en gecontroleerd alsof de Ňland-eilanden onder het territoriale toepassingsgebied vielen van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting -- Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.

AFDELING 2 - Bepalingen inzake de landbouw

Artikel 47

Indien ten gevolge van de toetreding ernstige moeilijkheden blijven bestaan ook nadat het bepaalde in artikel 48 en in de andere maatregelen voortvloeiende uit in de Unie bestaande voorschriften volledig zijn toegepast, kan de Commissie bij Europees besluit Finland machtigen, nationale steun aan producenten toe te kennen ten einde hun integratie in het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken.

Artikel 48

1. De Commissie machtigt Finland en Zweden bij Europees besluit om nationale steun op lange termijn te verlenen met het oog op de handhaving van landbouwactiviteit in specifieke gebieden. Deze gebieden omvatten de landbouwarealen benoorden de 62e breedtegraad en bepaalde aangrenzende gebieden ten zuiden van deze breedtegraad die te kampen hebben met vergelijkbare klimatologische omstandigheden welke de landbouwactiviteit bijzonder moeilijk maken.

2. De in lid 1 bedoelde gebieden worden vastgesteld door de Commissie, die daarbij met name rekening houdt met:

a) de geringe bevolkingsdichtheid;

b) de verhouding van het landbouwareaal tot de totale oppervlakte;

c) de verhouding van het landbouwareaal waarop akkerbouwgewassen voor menselijke voeding worden gekweekt tot het gebruikte landbouwareaal.

3. De in lid 1 bedoelde steun kan worden gerelateerd aan fysieke productiefactoren, zoals het landbouwareaal of het aantal dieren, rekening houdend met de in de gemeenschappelijke marktordeningen neergelegde beperkingen, alsmede met de historische productiepatronen van elk bedrijf, maar deze steun mag niet:

a) gekoppeld zijn aan de toekomstige productie;

b) leiden tot een verhoging van de productie of van het algemene steunniveau dat geconstateerd is tijdens een door de Commissie vast te stellen referentieperiode die vůůr 1 januari 1995 verstrijkt.

Die steun kan per gebied worden gedifferentieerd.

De steun kan met name worden verleend om:

a) traditionele grondstoffenproductie en verwerkingsactiviteiten die passen bij de klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden, in stand te houden;

b) de productie-, afzet- en verwerkingsstructuren van de landbouwproducten te verbeteren;

c) de afzet van die producten te vergemakkelijken;

d) het milieu te beschermen en de natuurlijke omgeving in stand te houden.

Artikel 49

1. Van de in de artikelen 47 en 48 bedoelde steun, alsmede van elke andere nationale steun waarvoor in het kader van deze akte machtiging van de Commissie is vereist, wordt kennis gegeven aan de Commissie. Steun kan niet worden verleend zolang deze machtiging niet is verleend.

2. Wat de in artikel 48 bedoelde steun betreft, dient de Commissie bij de Raad met ingang van 1 januari 1996 om de vijf jaar een verslag in over:

a) de verleende machtigingen;

b) de resultaten van de steun waarvoor deze machtigingen zijn verleend.

Met het oog op de opstelling van dit verslag verstrekken de lidstaten waarvoor de machtigingen zijn bestemd, de Commissie tijdig gegevens over de gevolgen van de verleende steun, waarbij zij een beeld schetsen van de ontwikkeling die in de landbouweconomie van de betrokken gebieden is geconstateerd.

Artikel 50

Wat de in de artikelen III-167 en III-168 van de Grondwet bedoelde steunmaatregelen betreft:

a) worden van de vůůr 1 januari 1995 in Oostenrijk, Finland en Zweden toepasselijke steunmaatregelen alleen de maatregelen die vůůr 30 april 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als "bestaande" steunmaatregelen in de zin van artikel III-168, lid 1, van de Grondwet;

b) worden bestaande steunmaatregelen en plannen om steunmaatregelen in te voeren of te wijzigen die vůůr 1 januari 1995 ter kennis van de Commissie zijn gebracht, beschouwd als steunmaatregelen en plannen waarvan op die datum kennis is gegeven.

Artikel 51

1. Behoudens andersluidende bepalingen voor specifieke gevallen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie bij Europese verordening of bij Europees besluit de bepalingen ter uitvoering van deze afdeling vast.

2. De Raad kan bij Europese wet in deze afdeling de aanpassingen aanbrengen die noodzakelijk kunnen blijken ingeval van wijzigingen van het recht van de Unie. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 52

1. Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ten behoeve van de overgang van de in Oostenrijk, Finland en Zweden bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van de gemeenschappelijke ordening der markten overeenkomstig de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, worden deze maatregelen vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG of, naargelang van het geval, van de overeenkomstige artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten. Deze maatregelen kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat verstrijkt op 31 december 1997; de toepassing ervan is beperkt tot die datum.

2. De Raad kan bij Europese wet het in lid 1 bedoelde tijdvak verlengen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.

Artikel 53

De artikelen 51 en 52 zijn van toepassing op visserijproducten.

AFDELING 3 - Bepalingen betreffende overgangsmaatregelen

Artikel 54

De besluiten die worden genoemd in de punten VII.B.I, VII.D.1, VII.D.2.c, IX.2.b, c, f, g, h, i, j, l, m, n, x, y, z en aa, X.a, b en c van bijlage XV (1) van de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn ten aanzien van Oostenrijk, Finland en Zweden van toepassing zoals in die bijlage is bepaald.

Ten aanzien van punt IX.2.x van de in de eerste alinea bedoelde bijlage XV geldt dat de verwijzing naar de artikelen 90 en 91 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap beschouwd moet worden als een verwijzing naar artikel III-170, leden 1 en 2, van de Grondwet.

Noot 1: PB C 241 van 29.8.1994, blz. 322.

AFDELING 4 - Bepalingen betreffende de toepasbaarheid van bepaalde handelingen

Artikel 55

1. De individuele vrijstellingsbeschikkingen en beschikkingen waarin geen vrijstelling wordt verleend, die vůůr 1 januari 1995 krachtens artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) of artikel 1 van protocol nr. 25 bij die overeenkomst zijn vastgesteld door de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) of door de Commissie en die betrekking hebben op gevallen die ingevolge de toetreding onder artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, blijven ter fine van artikel III-161 van de Grondwet van kracht tot de in die beschikkingen vermelde datum of totdat de Commissie overeenkomstig het Unierecht een met redenen omkleed Europees besluit neemt.

2. De door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA vůůr 1 januari 1995 krachtens artikel 61 van de EERovereenkomst vastgestelde beschikkingen die ingevolge de toetreding onder artikel 87 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen, blijven ter fine van artikel III-167 van de Grondwet van kracht, tenzij de Commissie bij Europees besluit op grond van artikel III-168 van de Grondwet anders besluit. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor beschikkingen die onder de procedure van artikel 64 van de EERovereenkomst vallen.

3. Onverminderd de leden 1 en 2 blijven beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA na 1 januari 1995 van toepassing, behoudens een met redenen omkleed besluit van de Commissie, overeenkomstig de grondbeginselen van het Unierecht.

AFDELING 5 - Bepalingen inzake de Ňland-eilanden

Artikel 56

De Grondwet belet niet de toepassing van de op 1 januari 1994 op de Ňland-eilanden bestaande bepalingen inzake:

a) beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap "hembygdsrštt/kotiseutuoikeus" in Ňland genieten, en van rechtspersonen, om onroerend goed te verkrijgen en in eigendom te hebben op de Ňland-eilanden zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Ňland-eilanden;

b) beperkingen, op niet-discriminatoire basis, van het recht van natuurlijke personen die niet het regionale burgerschap "hembygdsrštt/kotiseutuoikeus" in Ňland genieten, en van rechtspersonen, om zich op de Ňland-eilanden te vestigen en er diensten te verlenen zonder de toestemming van de bevoegde autoriteiten van de Ňland-eilanden.

Artikel 57

1. Het gebied van de Ňland-eilanden, dat wordt beschouwd als een derde grondgebied in de zin van artikel 3, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad en als een nationaal gebied dat buiten het toepassingsgebied valt van de richtlijnen inzake de harmonisatie van accijnzen, in de zin van artikel 2 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad, valt buiten de territoriale toepassing van het Unierecht op het gebied van de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake omzetbelastingen en accijnzen en andere vormen van indirecte belastingen.

Deze bepaling is niet van toepassing op het bepaalde in Richtlijn 69/335/EEG van de Raad betreffende kapitaalrecht.

2. De in lid 1 bepaalde uitzondering heeft ten doel, een leefbare lokale economie op de eilanden in stand te houden en mag geen negatieve gevolgen hebben voor de belangen van de Unie, noch voor haar gemeenschappelijke beleidsvormen. Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 1 bedoelde bepalingen niet langer gerechtvaardigd zijn, met name in verband met eerlijke concurrentie of de eigen middelen, legt zij passende voorstellen voor aan de Raad, die de nodige handelingen vaststelt overeenkomstig de desbetreffende artikelen van de Grondwet.

Artikel 58

Finland draagt er zorg voor dat alle natuurlijke en rechtspersonen van de lidstaten op de Ňland-eilanden op eendere wijze worden behandeld.

Artikel 59

De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende de Ňland-eilanden, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van protocol nr. 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING 6 - Bepalingen inzake de Lapse bevolking

Artikel 60

Niettegenstaande de bepalingen van de Grondwet, kunnen aan de Lapse bevolking exclusieve rechten inzake rendierhouderij binnen de traditionele Lapse gebieden worden toegekend.

Artikel 61

Deze afdeling kan worden uitgebreid om rekening te houden met eventuele toekomstige ontwikkelingen van de exclusieve rechten van de Lapse bevolking in verband met hun traditionele middelen van bestaan. De Raad kan bij Europese wet de nodige wijzigingen van deze afdeling vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement en van het Comitť van de Regio's.

Artikel 62

De bepalingen van deze afdeling worden toegepast in het licht van de verklaring betreffende het Lapse volk, waarin met behoud van de juridische strekking de bewoordingen zijn overgenomen van de preambule van protocol nr. 3 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

AFDELING 7 - Bijzondere bepalingen in het kader van de fondsen met structurele strekking met betrekking tot Finland en Zweden

Artikel 63

De regio's die vallen onder de doelstelling, de ontwikkeling en de structurele aanpassing van de regio's met een zeer lage bevolkingsdichtheid te bevorderen, komen overeen met of behoren in principe tot regio's van niveau II van NUTS met een bevolkingsdichtheid van ten hoogste acht personen per vierkante kilometer. De bijstandsverlening van de Unie kan, op voorwaarde dat zij daadwerkelijk wordt geconcentreerd, ook worden uitgebreid tot aangrenzende en kleinere gebieden die aan hetzelfde criterium inzake bevolkingsdichtheid voldoen. De in dit artikel bedoelde regio's en gebieden staan in de lijst van bijlage I (1) van protocol nr. 6 bij de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

Noot 1: PB C 241 van 29.8.1994, blz. 355.

AFDELING 8 - Bepalingen betreffende vervoer per spoor en gecombineerd vervoer in Oostenrijk

Artikel 64

1. In deze afdeling zijn de volgende definities van toepassing:

a)"vrachtwagen": een in een lidstaat geregistreerd motorvoertuig met een maximaal toegestaan gewicht van meer dan 7,5 ton, bestemd voor het vervoer van goederen of het trekken van aanhangwagens, met inbegrip van trekkers van opleggers, en trekkers met een maximaal toegestaan gewicht van meer dan 7,5 ton, getrokken door een in een lidstaat geregistreerd motorvoertuig met een maximaal toegelaten gewicht van ten hoogste 7,5 ton;

b)"gecombineerd vervoer": vervoer door vrachtwagens of ladingeenheden, dat gedeeltelijk plaatsvindt per spoor en waarbij het begin- of het eindtraject plaatsvindt over de weg, met dien verstande, dat het transitovervoer over Oostenrijks grondgebied tussen het beg